LBL 2013 – Cyclopatus Fugit (Quod Non)

We zitten inmiddels alweer in augustus en het is tijd voor een samenvatting van de afgelopen weken.

Ik noteerde in juli 2.081 kilometer tijdens 32 activiteiten in 69 uur – dat lijkt veel, maar als je bedenkt dat ik zeker 3x zolang heb liggen slapen, dan valt het dus best mee 🙂

Twee keer reisde ik af naar Valkenburg, één keer met overnachting, zodat ik wat meer kon fietsen. De 2e keer werd ik ‘s morgens van de fiets gespoeld door een hevig noodweer – toen het later opklaarde was het dan ook meteen stikbenauwd vanwege de hoge luchtvochtigheid…

Het was sowieso een warme maand – de wind bleef natuurlijk gewoon een “pain in the ass” en zorgde ook niet voor verkoeling. Wel was het gevolg dat ik – door snel verdampend zweet, wat je dus niet zo in de gaten hebt – tot 2x toe met kramp te maken kreeg. Zelfs 1,5 liter isotone sportdrank voor een rit van een uur of twee bleek niet genoeg.

Maar goed, het weerzien met het zuid Limburgse heuvelland was een verademing, na de geestdodende ritten door de polder, waar je enige troost is dat je van tegen de wind in beuken óók sterk wordt.

Althans, dat dacht ik. Hoewel de lijst met PR’s op Strava tijdens mijn ritjes in Valkenburg e.o. er indrukwekkend uitzag, waren de tijden gemiddeld toch minder dan waar ik vooraf op had gehoopt/gemikt. Soms maar een paar seconden dus wat bomt het, maar toch.

Blijkt dus maar weer dat klimmen een totaal andere discipline is – dat wist ik uiteraard al, maar het gebrek aan klimtraining, ook al omdat er dit jaar geen “doel” – een hoogtestage – was, breekt me toch op.

Ik heb natuurlijk wel op de Tacx zitten simuleren van de winter, maar mijn Flow is echt aan vervanging toe, wil ik het serieuzer aanpakken. Volgend jaar hoop ik wel een poosje in het hooggebergte te kunnen dollen en dan wil ik PR’s neerzetten die wél wat betekenen. Ik wacht dus op een mooie aanbieding voor een i-Genius Multiplayer 🙂

Ook tijdens LBL 2013, of de “Ardennen Classic” zoals die tegenwoordig heet, bleek mijn “poldermodel” niet bestand tegen de hoogtemeterdruk. Nou was ik na pakweg 30 kilometer al dichtbij een opgave, want het ontbijt was niet goed gevallen, ik had permanent een droge bek en ik had het koud, maar in mijn beleving was het gewoon de Chambralles die me nekte.

“quvHa’pa’ Hegh” * dat lijkt me duidelijk, dus de resterende 140 kilometer was een hele opgave, die ik dan wél weer volbracht. Omdat de Stockeu uit het parcours was verdwenen, kon ik op de Wanne nog wel een PR noteren en op de Redoute hield ik me enorm in en dus viel die ook mee.

De top van de Redoute ligt namelijk op zo’n 130 kilometer en ik was onbekend met het nieuwe “slotstuk” van deze tocht, die in 2012 – toen ik er helaas niet bij kon zijn – voor het eerst niet in dalende lijn richting Luik ging. De Roche aux Faucons was vanwege werkzaamheden dit jaar niet rechtstreeks te beklimmen, maar de omweg via Esneux en Neupré was uitdagend genoeg.

Toen ik op een gegeven moment dacht “Moet ik niet zo onderhand Luik eens binnenrijden?”, bleek de teller pas op 152 te staan en moest ik er dus nog zo’n 16 – gelukkig ga je van 154 naar 158 als een baksteen naar beneden voor de laatste 10 vrijwel vlakke kilometers…

Voor de Strava “PowerBar Take on the Tour” challenge klokte ik 2.242 kilometers (vanaf 29 juni) en daarmee was ik koploper van de 107 Sufferfest deelnemers. Landelijk gezien kwam ik niet verder dan de 27e plaats (van 1.533), maar tegen mensen die in 33 dagen 42 ritten en dik 4.100 kilometer rijden (en ik heb het niet over profs), kan ik natuurlijk niet op. Overall, dus wereldwijd, eindigde ik als 565e (van 42.247) – de 1e plek was voor een Engelsman die in 31 ritten dik 7.400 kilometer noteerde.

Het zal allemaal wel en ik snap heel goed dat er veel fietsers zijn die aan die “flauwekul” (challenges, segmenten, KOM’s) niet meedoen. Ik put er soms wel motivatie uit, maar uiteindelijk gaat het om het fietsplezier.

Zolang ik niet op mijn bek ga, is dat plezier toch tijdens de meeste ritten heel nadrukkelijk aanwezig. Wel jammer dat de ANWB de komkommertijd benut om de “sportieve toerfietser” eens flink over één kam te scheren en voor te stellen die te weren tijdens mooie weekenddagen.

Toen ik van de winter en in het steenkoude voorjaar mijn rondjes reed, hoorde ik niks (meer) over verwarmde fietspaden of het – anders – verplicht strooien daarvan. De “recreatieve toerfietser” op zijn of haar al dan niet elektrische fiets hoor of zie je dan niet. Net zo min als de joggende huppelkutjes, die pas later gaan werken aan de overtollige pondjes. Hoewel er net na nieuwjaar wel een toename van het aantal in de weg lopende, zig-zag strompelende joggers waar valt te nemen, maar dat duurt maar een week of twee, drie…

Wat de ANWB in elk geval wel bereikt heeft, is dat ik nu nog frequenter voor gedrogeerde randdebiel word uitgemaakt. Ondanks mijn oplettendheid, het netjes inhouden, beleefde belletjes en het desnoods de berm inrijden om vooral niemand tijdens zijn smartphone bezigheden te storen.

Nou ja – ik doe in elk geval mijn best om samen met mijn “medeweggebruikers” een gezonde bezigheid te beoefenen en het valt niet te ontkennen dat de (grote) groepen elkaar opjagende racefietsers terecht negatieve aandacht krijgen. Ik denk dan “Ga lekker op een circuit rondjes draaien jongens”, maar als je ze dat hardop in het gezicht zegt, ben je zelf ineens ook heel snel een racer. Gelukkig kan ik héél hard fietsen – van tegen de wind in rijden word je immers sterk…

* Death before dishonor (Klingon)